Voor
Jonge
Turken doet Nederland er niet toe
Dit opiniestuk verscheen in de Volkskrant
(07 november 2011)
Door Zihni Özdil
Turken
in Nederland worden gediscrimineerd – zeker. Maar velen van hen doen
niets om
de vooroordelen weg te nemen.
Het opiniestuk van
Tuncay Cinibulak over de ‘Turks-Koerdische rellen’ in Nederland bevat
een
aantal analytische fouten en een misplaatste causaliteit. Cinibulaks
stuk
illustreert dat de integratie van de Turken in Nederland bij lange na
niet is
voltooid.
Ten
eerste maakt Cinibulak een fout die je in veel reacties op de rellen
terugziet:
hij noemt de relschoppers ‘jonge Turken en Koerden’. Het zijn in
werkelijkheid
jonge Nederlanders wier (groot-)ouders afkomstig zijn uit Turkije. Deze
jongeren zijn in Nederland geboren en zullen uiteindelijk ook hier
sterven.
Deze vanzelfsprekendheid wordt bijna vijftig jaar na de arbeidsmigratie
nauwelijks onderkend door de meeste Turkse Nederlanders.
Het
klopt dat de ontvangende samenleving ‘allochtone’ Nederlanders altijd
als ‘de
anderen’ heeft gezien. Zo is er nog steeds veel discriminatie in
Nederland,
zoals bleek uit recent onderzoek van de VU naar de bereidheid van
uitzendbureaus om allochtonen desgevraagd voor vacatures uit te
sluiten. Ook
het uitgaansleven is notoir racistisch.
Door
de
opkomst van het rechtspopulisme zijn Nederlanders met een
moslimachtergrond
bovendien gereduceerd tot ‘kopvodden’ en ‘straatterroristen’. Voor die
tijd was
Nederland in de houdgreep van de eigenlijk net zo uitsluitende
multiculturalisten. Omdat de integratiegraadmeter voor
multiculturalisten
altijd is geweest de mate waarin een groep overlast veroorzaakt, werden
de
Turken dus als redelijk goed geďntegreerd gezien.Waarom? Ze stelen geen
handtasjes, vinden onderwijs belangrijk en voldoen aan het
sociaal-economisch
ideaal van de kleine burgerij. Dat de bedrijvigheid van veel
Turks-Nederlandse
ondernemers – shoarmazaakjes, semicriminele belhuizen en bakkerijen in
zwarte
wijken – zou bijdragen aan integratie is op zijn zachtst gezegd
twijfelachtig.
Het wordt in elk geval niet gestaafd door onderzoek, mits we een
realistische
definitie van integratie zouden hanteren, namelijk de sociale,
maatschappelijke
en culturele binding met Nederland.
In
het
multiculturele tijdperk werden voormalige gastarbeiders en hun
nakomelingen
gestimuleerd zich vooral in een geprefabriceerde en gesubsidieerde zuil
te
bewegen. Turkse Nederlanders waren hier bij uitstek zeer goed in.
Verstopt in
organisaties die banden hebben met dubieuze religieuze of
ultranationalistische
clubs uit Turkije waren de Turken goed aan het ‘integreren’. Cinibulak
stelt
terecht dat de recente rellen geen acties waren van losgeslagen
jongeren. Maar
hij legt het verkeerde causaal verband als hij stelt dat de oorzaak
ligt in een
‘nieuwe fase’ van het Turks-Koerdische conflict. Ook schetst hij een
ongefundeerd doemscenario: ‘De frustraties en de woede van de Turkse
jongeren
komen nu nog impulsief tot uiting. Maar het kan niet worden uitgesloten
dat ze
zich op een kwaad moment ook op de Nederlandse samenleving afreageren.
Zo
beschouwd, kunnen de rellen worden opgevat als een mogelijke voorbode
van een
nieuwe geweldsgolf.’
Cinibulaks
stelling dat jonge Turken en Koerden in Nederland goed Nederlands
spreken en
vertrouwd zijn met de Nederlandse omgangsnormen is in regelrechte
tegenspraak
met de feiten: ‘De taalachterstand is het grootst onder leerlingen met
een
Turkse achtergrond (…) Turken zijn in hun contacten meer gericht op de
eigen
groep dan Marokkanen. Hierin is de afgelopen tien jaar weinig
veranderd’, aldus
enkele conclusies van het SCP.
In
tegenstelling tot Cinibulaks beschrijving waren de rellen niet
impulsief en ook
geen nieuwigheid maar een te voorspellen actie binnen een vast
historisch
patroon. Net als in de jaren negentig en in het afgelopen decennium
komen ook
nu honderden jonge Turkse Nederlanders georganiseerd – door de Grijze
Wolven in
dit geval – in actie als het Turks-Koerdische conflict escaleert. Elke
keer
kwam het daarbij tot rellen in Nederland met soms doden als gevolg.
Volgens
onderzoek kijkt bijna 70 procent van de Turkse Nederlanders dagelijks
naar
Turkse tv-zenders. De verontwaardiging die de Turkse media ventileerden
na de
aanslag op Turkse soldaten, werd dus direct overgenomen door (jonge)
Turkse
Nederlanders. Op internet lieten ze blijken hoezeer ze begaan waren met
‘hun
land’ en ‘hun soldaten’.
Cinibulak
wijst op de vele, goed gedocumenteerde, sociaal-psychologische
problemen die
Turks-Nederlandse jongeren ondervinden. Maar net als de verontruste
Turken die
in januari een manifest opstelden, ziet Cinibulak deze jongeren vooral
als
zielige slachtoffers van ‘de Nederlanders’. Ik bestrijd dat. Deze
jongeren zijn
zelf ook Nederlanders en zijn allesbehalve zielig. Ze zijn intelligent
en
hebben veel potentie.
Maar
hun
toekomst in Nederland ligt in hun eigen handen. De meesten kiezen nog
te vaak
voor de makkelijke weg. In plaats van de op Turkije gerichte ketens van
hun
(groot-) ouders en al die organisaties van zich af te werpen, omarmen
ze die
juist. In
plaats van de mouwen op te stropen en zich samen met hun Marokkaanse,
Surinaamse, Antilliaanse en autochtone landgenoten in te zetten voor
een
toekomst in Nederland zonder discriminatie en uitsluiting kiezen ze
ervoor om
alleen in actie te komen voor Turkije.
In
april
hield ik in Den Haag een toespraak tijdens een manifestatie tegen de
onderwijsbezuinigingen. De Turkse studentenverenigingen waren uiteraard
afwezig, en dat was te verwachten. Deze verenigingen ‘integreren’
liever door
middel van het organiseren van jaarlijkse iftar-diners, Istanbul-reizen
en
enkele gastsprekers uit Turkije.
Cinibulak
beseft niet dat de kern van het probleem ligt in de begrijpelijke maar
op lange
termijn funeste zelfidentificatie van deze jongeren. Hun Turkse afkomst
is niet
een erfgoed dat hun Nederlandse identiteit aanvult. Integendeel, anno
2011 zijn
de Turkse ‘Blut und Boden’ juist de allesbepalende identiteit voor
veel van deze jongeren. Ik spreek regelmatig met
uitwisselingsstudenten
uit Turkije, en zij zijn altijd ontzettend verbaasd wanneer ze zien hoe
conservatief en nationalistisch de Turkse jongeren in Nederland zijn.
De
overmatig op Turkije gerichte organisaties in Nederland houden de
geslotenheid
van de gemeenschap en daarmee ook de schizofreen te noemen
zelfidentificatie
van jonge Turkse Nederlanders in stand. Fysiek leeft men in Nederland
maar
Turkije is vaak het enige land waar men zich werkelijk om bekommert.
Het
publieke debat over maatschappelijke kwesties in hun eigen land gaat
grotendeels aan deze jongeren voorbij.
Zihni
Özdil is docent en promovendus maatschappijgeschiedenis aan de Erasmus
Universiteit