Dit
artikel verscheen in de Volkskrant
(23 februari 2011)
Door Janny Groen
De
Turks-Nederlandse jongeren leven te geïsoleerd, zeggen pioniers uit de
Turkse gemeenschap. Zij roepen op tot weerbaarheid tegen de bemoeienis
van het vaderland.
AMSTERDAM
-De Marokkaans-Nederlandse discussieleider Mohamed Mahdi opent de avond
licht triomfantelijk. 'Eindelijk gaat het eens niet over Marokkanen',
tart hij de zaal vol Turks-Nederlandse ouders en jongeren. Die zijn
vorige week in Amsterdam bij de Turkse Arbeidersvereniging in Nederland
(HTIB) bijeen gekomen om te praten over 'de bijzonder zorgwekkende
positie' van de Turks Nederlandse jeugd.
Begin
januari luidde een tiental Turks-Nederlandse deskundigen in de
Volkskrant de noodklok over hun jongeren. Die raken volgens hen in een
isolement en keren Nederland in toenemende mate de rug toe. Sinds de
publicatie van hun manifest komt het zelfkritische debat in de Turkse
gemeenschap voorzichtig van de grond. Her en der worden verhitte
debatten gevoerd. Vanavond weer een, georganiseerd door de
studentenvereniging Anatolia aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
De
van oorsprong Turkse Zeki Arslan, programmamanager onderwijs bij het
instituut voor multiculturele vraagstukken Forum, gooit bij HTIB de
knuppel in het hoenderhok. De Turkse gemeenschap is complex en weinig
tolerant, stelt hij. De problemen worden te gemakkelijk toegeschreven
aan het gure Wildersklimaat in Nederland. Veelal onbesproken blijft de
interne uitsluiting. Arslan: 'Wij discrimineren keihard. Niet alleen
Marokkanen en Nederlanders, maar ook onderling.' Hij verwijst naar
diverse groepen (Alevieten, Milli Görüs, Fettulah Gülen, Koerden,
Kemalisten), die elkaar stevig beconcurreren.
Al
die bewegingen - van links tot rechts en van religieus orthodox tot
liberaal - 'proberen vanuit het land van herkomst ons te sturen en te
kneden', gaat hij verder tot woede van velen in de zaal. Hij roept de
Turkse gemeenschap op tot grotere weerbaarheid tegen de 'Turkse lange
armen'. Meer zelfreinigend vermogen zal, zo hoopt Arslan, leiden tot
een 'mooie Turkse lente in de polder'.
Enkele
goedgebekte meiden vinden dat Arslan en de heren van het manifest de
Turks-Nederlandse jongeren onnodig stigmatiseren. 'Wij doen het goed,
wij hebben helemaal geen problemen.'
Teleurgesteld
merkt Arslan aan het slot van de avond op dat de pijnpunten - de naar
binnen gerichtheid van de gemeenschap en de bemoeienis van Turkije -
opnieuw zijn blijven liggen. Mahdi, eveneens werkzaam bij Forum, sluit
zich daar gretig bij aan. Verbazingwekkend vindt hij dat als een
hoogwaardigheidsbekleder uit Turkije naar Nederland komt 'de Arena
volstroomt met Turkse Nederlanders'. Hij noemt de binding van zelfs de
derde generatie Turken met het vaderland opvallend groot. 'Ze kijken
Turkse televisie, lezen de Turkse media, kijken naar Turkse
voetbalwedstrijden. Marokkanen kijken ook naar satelliet-televisie.
Maar als een Marokkaanse minister Nederland bezoekt, loopt het stadion
niet vol.'
De
weerbaarheid tegen de bemoeienis van Turkije is nog ver te zoeken,
blijkt die avond. Eerder sprak de Volkskrant met tientallen Turkse
Nederlanders over de opmerkelijk ontvankelijkheid voor 'de lange arm
van Ankara'. Dat onderwerp is in de gemeenschap nog praktisch taboe.
Slechts een enkeling durft zich daar publiekelijk tegen te verzetten.
Neem
de Turkse dienstplicht. Iedereen met een Turkse nationaliteit is
wettelijk verplicht het leger in te gaan. De meeste Turken in de
diaspora kopen die dienstplicht voor enkele duizenden euro's af.
Morrend, dat wel. Maar niemand keert zich daartegen. Dat wordt ervaren
als landverraad, zo bleek uit de gesprekken. 'Je bent geen echte man
als je niet in dienst bent geweest', was de meest gehoorde verklaring.
En: 'Geen Turkse vader schenkt zijn dochter aan een dienstweigeraar.
Iedere Turk is er voor de staat en niet andersom. De enige vriend van
een Turk is een Turk.'
Ondanks
de forse afkoopsom, moeten de meesten toch nog drie weken in Turkije
naar een militair trainingskamp. Daar wordt het Turks nationalisme
stevig aangezwengeld. De diaspora-rekruten frissen hun kennis op over
Atatürk (de grondlegger van de moderne Turkse staat), zweren trouw aan
de Turkse vlag en horen toespraken aan over het Grote Turkse Leger.
Cultureel
antropoloog Ibrahim Yerden trainde met Britse, Franse, Duitse en
Nederlandse Turken. Hij vroeg zijn companen welke kant zij zouden
kiezen, mocht het tot een oorlog komen tussen hun geboorteland en
Turkije. Yerden: 'Zonder aarzeling kozen de meesten voor Turkije'.
Volgens hem wordt het Turks nationalisme in de opvoeding van generatie
op generatie doorgegeven. De trots stamt uit het Ottomaanse rijk, toen
de Turken een dominante wereldmacht waren.
Die
trots wordt voortdurend gevoed vanuit Turkije door diverse partijen en
dat belemmert de integratie, zegt Mehmet Kirmaci (36). Een belangrijk
'beïnvloedingsinstrument' is volgens hem het Turkse Presidium voor
Godsdienstzaken Diyanet. In Nederland is ruim eenderde van de 400
moskeeën in handen van Diyanet, dat zich vooral richt op de derde en
vierde generatie Turkse jongeren. Die moskeeën mogen niet te zeer
vernederlandsen.
Via
jeugdconferenties en herdenkingsbijeenkomsten - bijvoorbeeld voor de
gevallenen van de Slag bij Gallipoli (1915-1916) en schrijver Mehmet
Akif Ersoy van het Turkse nationale volkslied - sijpelt de
staatsideologie door naar de Turks-Nederlandse jeugd. Verder wordt bij
allerlei bijeenkomsten door Diyanet-autoriteiten gefulmineerd tegen het
modernisme, zegt Kirmaci. Steeds weer wordt herhaald dat het modernisme
is gebaseerd 'op traditieloosheid en ongeworteldheid'.
Cultureel
antropoloog Yerden spreekt van 'de verinnerlijking van de Turkse
politiek'. Yerden: 'Ze kunnen dat niet loslaten. Dat belemmert de
integratie. Ook de derde generatie is druk aan het chatten met Turkse
jongeren in Turkije en in andere Europese landen over Turkse zaken. Ze
versterken elkaar in hun houding: wij zijn Turken, anders dan de rest.'
'Te
braaf' noemt Arslan tijdens het HTIB-debat de heren die de interne
gerichtheid en Turkse bemoeienis in hun manifest aanstipten, maar niet
verder hebben uitgewerkt. Er moet meer reuring komen, vindt hij. Meer
pioniers moeten opstaan als Zihni Özdil (29), docent aan de Erasmus
Universiteit.
Özdil
hekelt 'de ontvankelijkheid voor de Turkse lange armen' en 'het gebrek
aan wezenlijke belangstelling van de Turkse gemeenschap voor de
Nederlandse maatschappij'. 'De Blut en Boden-gedachte krijgen we
allemaal mee in de opvoeding', constateert hij. 'Turkije boven alles.
Ik roep Turks Nederlandse jongeren niet op zich meer te gaan gedragen
als Nederlanders en hun band met Turkije te verbreken. Wij moeten juist
beseffen dat we al Nederlanders zijn en ons niet langer beperken tot
Turkije.'